Banner
| Afdrukken |

Invoering Wet Personenvennootschappen

De invoering Wet Personenvennootschappen lijkt binnenkort een feit te zijn.

Laatst gewijzigd op 8 december 2007

In februari 2006 bent u reeds geïnformeerd over de invoering van de Wet Personenvennootschappen die toen aanstaande leek te zijn. De invoering heeft echter vertraging ondervonden, daar de Eerste Kamer de uiteindelijke goedkeuring heeft gekoppeld aan de inhoud van de Invoeringswet, waarin onder meer de fiscale spelregels en het overgangsrecht zijn opgenomen, en de behandeling van het wetsvoorstel Vereenvoudiging en Flexibilisering B.V.-recht. Inmiddels zijn beide wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer ingediend. Op dit moment lijken er geen noemenswaardige struikelblokken meer te zijn, die invoering van de Wet Personenvennootschappen in de weg zullen staan. De verwachte datum van inwerkingtreding is officieel 1 januari 2008. Of deze datum zal worden gehaald, valt nog te bezien. Het voorjaar 2008 is vrijwel zeker.

In de vorige bijdrage is met name ingezoomd op de wijzigingen met betrekking tot de aansprakelijkheid van de vennoten in de situatie dat een maatschap zich omvormt tot een openbare, of schijnbaar openbare, vennootschap. Conclusie was en is dat de wijziging met name de mate van aansprakelijkheid betreft. Zijn de vennoten van de huidige maatschap nog aansprakelijk voor gelijke delen, dan zijn de vennoten van de openbare vennootschap straks hoofdelijk aansprakelijk. Voor de stille vennootschap treden geen wijzigingen op ten aanzien van de huidige aansprakelijkheid. De vennoten van de stille vennootschap zijn en blijven aansprakelijk voor gelijke delen. Met name voor de vennoten van de openbare vennootschap treedt er dus een verzwaring van de aansprakelijkheid op.

Wat kunnen de vennoten van een openbare vennootschap doen om deze verzwaring van aansprakelijkheid te beperken?

De wet heeft op dit punt een dwingend karakter. Dit betekent dat de hoofdelijkheid voortvloeit uit de wet. De vennoten van een openbare vennootschap kunnen deze niet uitsluiten. Indien de gewijzigde aansprakelijkheid absoluut ongewenst is, dan kunnen de vennoten er voor kiezen om niet als openbare vennootschap maar als een stille vennootschap door het leven te gaan.

Deze keus zal tot gevolg hebben dat alle uitingen die duiden op het gezamenlijke karakter van het samenwerkingsverband in de praktijk moeten worden voorkomen. Geen gezamenlijke naam, geen gezamenlijke internetsite, declaraties op eigen naam et cetera, et cetera. In de praktijk zal het vaak niet eenvoudig zijn “het stil zijn” consequent uit te voeren, denk bijvoorbeeld aan de centrale telefoon, hoe wordt die opgenomen? Anderzijds kan dit ook niet wenselijk zijn. Men heeft juist uit acquisitieve overwegingen gekozen voor een herkenbare naam en wil onder deze naam een totaalconcept aanbieden aan patiënten.

Als men er wel voor kiest om als openbare vennootschap door het leven te gaan, dan is men als vennoot hoofdelijk aansprakelijk, daaraan valt niet te ontkomen. Echter, wat betreft de omvang van de aansprakelijkheid valt e.e.a. te regelen. Men kan als vennoten bijvoorbeeld afspreken dat iedere vennoot maar tot een zeker bedrag namens de openbare vennootschap verplichtingen kan aangaan of zelfs dat voor iedere verplichting de instemming van alle vennoten is vereist. Dit laatste zal in de praktijk niet echt werkzaam zijn. Door deze vertegenwoordigingsbevoegdheid in te schrijven in het Handelsregister is men naar derden toe gevrijwaard van verbondenheid als deze bevoegdheid te boven wordt gegaan.

Ten aanzien van opdrachten die men als openbare vennootschap aangaat ligt de zaak wat ingewikkelder. Als er sprake is van een tekortkoming in de uitvoering van een opdracht dan zijn alle vennoten aansprakelijk voor die tekortkoming tenzij kan worden aangetoond dat die tekortkoming niet aan hen valt toe te rekenen. Dit wordt ook wel de mogelijkheid tot disculpatie genoemd. Of hier in de praktijk met succes een beroep op kan worden gedaan, is nog maar de vraag.

Overwogen kan worden om het aangaan van opdrachten uitsluitend op eigen naam te laten plaatsvinden en niet uit naam van de openbare vennootschap. Indien men hiertoe zou besluiten, dient deze beperking eveneens te worden ingeschreven in het Handelsregister. Uit de literatuur blijkt niet dat er van een eenduidig standpunt sprake is. Per saldo kan worden vastgesteld: baat het niet schaadt het niet. Los van de vraag of deze bepaling van waarde is naar derden, de opdrachtgever, sorteert het wel effect in de onderlinge verhouding tussen de vennoten. Dit betekent dat de niet betrokken vennoot die wel is aangesproken, de eventuele schade kan verhalen op de wel betrokken vennoot. De praktijk zal in dit opzicht moeten uitwijzen hoe met e.e.a. om te gaan.

Beperking van de aansprakelijkheid door tussenkomst van een Besloten Vennootschap

Bij de vorige bijdrage is al vastgesteld dat de besloten vennootschap geen soelaas biedt daar waar het betreft de medische aansprakelijkheid. Het is de medicus namelijk op grond van de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst verboden zijn of haar aansprakelijkheid te beperken of uit te sluiten. Wel biedt de B.V mogelijk uitkomst daar waar het de overige aansprakelijkheid betreft, zoals crediteuren en personeel in dienst van de B.V. Echter op grond van het eerder genoemde wetsvoorstel Vereenvoudiging en Flexibilisering van het B.V.-recht, lijkt ook deze laatste strohalm te gaan verdwijnen.

Onderdeel van dit wetsvoorstel is de afschaffing van het wettelijk minimumkapitaal voor een B.V. Op zich lijkt dit een verbetering ten opzichte van de huidige regeling met een minimumkapitaal van € 18.000, het risicodragende kapitaal van de aandeelhouder. Echter met het vervallen van de minimumkapitaaleis ontstaat een bestuurdersaansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid houdt ondermeer in dat de bestuurder die toestemming heeft gegeven tot het uitkeren van dividend, aansprakelijk wordt voor verplichtingen waar de B.V. binnen twaalf maanden na het uitkeren van dividend niet aan kan voldoen. Het afromen van de winsten in de B.V. door het uitkeren van dividend en het daarmee beperken van de verhaalsmogelijkheid bij aansprakelijkheid wordt hiermee min of meer voorkomen.

Nieuws op fiscaal gebied

De verwachting bestond dat de Invoeringswet geen bijzonderheden te zien zou geven ten aanzien van de fiscaliteit van de personenvennootschap. Voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting is deze verwachting ook uitgekomen. Alles blijft zoals het is, dat betekent dat de personenvennootschap fiscaal gesproken transparant blijft. Niet de vennootschap wordt in de heffing betrokken, maar de vennoten worden individueel. Inkomstenbelasting als het natuurlijke personen betreft en vennootschapsbelasting voor vennoten die hun aandeel hebben ingebracht in een B.V.

De fiscale noviteit heeft betrekking op de vrijstelling in de overdrachtsbelasting waar het betreft de Openbare Vennootschap met Rechtspersoonlijkheid, de OVR. Daar de OVR onroerend goed op eigen naam kan hebben ingeschreven, hoeft er bij het in- of uittreden van vennoten niet meer een levering van het aandeel in dat onroerend goed, dat die vennoot in materiële zin verkrijgt of vervreemdt, plaats te vinden. Normaal gesproken is deze levering belast met overdrachtsbelasting. Verwacht werd dat de materiële levering, ongeacht het feit dat niet hoeft te worden geleverd, bij fictie zou worden belast. Nu lijkt deze vrijstelling ook voor de OVR te gaan gelden. Voor de praktijk kan het dus zinvol zijn, in geval er binnen een samenwerking sprake is van onroerend goed, te kiezen voor een OVR. Overdracht van het aandeel van de ene vennoot aan de andere vennoot kan plaatsvinden zonder heffing van overdrachtsbelasting. Tegen de verwachtingen in gloort er hoop voor de OVR.

Binnen welke termijn moet u uw zaken hebben geregeld?

In de Invoeringswet is tevens het overgangsrecht opgenomen. Hieruit blijkt dat alle verplichtingen welke onder de oude wet zijn aangegaan onder de oude regels blijven vallen. Dit betekent voor de vennoten van de maatschap die straks een openbare vennootschap wordt, dat men aansprakelijk blijft voor gelijke delen voor alle verplichtingen die zijn aangegaan voor de datum waarop de nieuwe wet van kracht wordt. Voor verplichtingen die de vennoten aangaan vanaf die datum is men hoofdelijk aansprakelijk, tenzij binnen drie maanden na de invoering een beperking van de bevoegdheid wordt ingeschreven in het Handelsregister. Voor inschrijvingen na deze termijn geldt de beperking alleen voor nieuwe verplichtingen.

Het is dus zaak voor samenwerkingsverbanden om op korte termijn te komen tot een keuze voor de toekomstige rechtsvorm, de daarbij behorende vertegenwoordigingsbevoegdheid en deze tijdig te laten registeren.


Richard Mastwijk

 


Lees ook: