Banner
| Afdrukken |

Pensioen opbouwen via lijfrente of oudedagsreserve?

Pensioen opbouwen via lijfrente of oudedagsreserve?

Indien u wordt aangemerkt als IB-ondernemer, dan hebt u de keuze tussen het fiscaal gefacilieerd opbouwen van een oudedagsvoorziening via de oudedagsreserve (OR) binnen de onderneming of extern via een lijfrenteverzekering bij een verzekeraar. Wat is wijsheid?

 

De ene ondernemer is de andere niet. Ondernemers die onder de vennootschapsbelasting vallen (DGA’s) kunnen zichzelf namelijk een normaal pensioen toezeggen. Ondernemers die onder de inkomstenbelasting vallen (hierna IB-ondernemers) daarentegen, zijn voor de opbouw van hun oudedagsvoorziening aangewezen op de oudedagsreserve en de lijfrenteverzekering (box 1) of niet fiscaal gestimuleerd via box 3.

Oudedagsreserve

IB-ondernemers jonger dan 65 jaar en die voldoen aan het urencriterium (minimaal 1.225 uur werkzaam binnen de eigen onderneming) kunnen gebruik maken van de in de Wet Inkomstenbelasting opgenomen oudedagsreserve. Via deze fiscale faciliteit kunt u maximaal twaalf procent van uw winst reserveren als oudedagsvoorziening. Dit met een maximum van 11.227 euro (2007). Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd met een procent of twee om de inflatie bij te houden. Boven een winst uit onderneming van circa 93.500 euro valt er dus niets meer te reserveren. Met de komst van de Wet Inkomstenbelasting 2001 dient de opgebouwde ‘pensioenpot’ op de balans te worden geregistreerd en maakt de oudedagsreserve onderdeel uit van de fiscale winst- en verliesrekening.

Verder is het goed te weten dat de toevoeging aan de oudedagsreserve wordt verminderd met de ten laste van de winst gekomen pensioenpremies (vrije beroepsbeoefenaars, zoals bijvoorbeeld huisartsen moeten verplicht deelnemen aan een beroepspensioenregeling). Dit is allemaal leuk en aardig, maar de conclusie moet toch luiden dat het opbouwen van een goede oudedagsreserve via zuiver en alleen doteren aan de oudedagsreserve onmogelijk is. Hiervoor is namelijk rendement nodig!

Jaarruimte en reserveringsruimte

Om rendement te maken via een oudedagsvoorziening die fiscaal wordt gestimuleerd is er op dit moment maar een weg mogelijk: de oude vertrouwde lijfrente. Stel u hebt een winst uit onderneming van 100.000 euro. Op basis van de oudedagsreserve mag u 12.000 euro (12% x 100.000 euro) doteren. Via de lijfrenteroute mag u minimaal 15.132 euro (100.000 euro -/- AOW franchise 10.990 euro x 17%) storten via de jaarruimte (maximaal 25.663 euro, komt overeen met winst uit onderneming van ruim 160.000 euro). Verder kunt u ook nog kijken of er aanvullende mogelijkheden zijn via de reserveringsruimte. Langs deze weg kunt u zeven jaar terug in de tijd om eventuele niet benutte lijfrenteaftrekmogelijkheden in te halen met een maximum van 6.492 euro (55-plussers maximaal 12.823 euro). Vraag uw adviseur om dit voor u te berekenen.

Investeren of oudedagsvoorziening?

De oudedagsreserve is dus slechts een fiscale faciliteit voor ondernemers. Er kan geen echte oudedagsvoorziening mee worden opgebouwd. Door te doteren aan de oudedagsreserve wordt belastingheffing over een deel van de winst verschoven naar de toekomst. Op deze manier komen er liquiditeiten vrij die gebruikt kunnen worden om een échte oudedagsvoorziening in de vorm van een lijfrentekapitaal op te bouwen. De omzetting van oudedagsreserve naar lijfrente verloopt fiscaal geruisloos.

Tegenover de belaste afneming van de oudedagsreserve staat een even grote aftrekbare lijfrentepremie. Zowel de vrijval als de premieaftrek valt in box 1. Wel dient u erop te letten dat de omzetting in een lijfrente de hoogte van het belastbare inkomen in box 1 kan beïnvloeden. De hogere winst kan namelijk leiden tot een lagere zelfstandigenaftrek of een hogere meewerkaftrek.

Banksparen concurrent?

Behalve de kapitaalverzekering eigen woning (KEW) krijgen ook de lijfrenteverzekeringen in de toekomst concurrentie vanuit de banksector. Het wetsvoorstel van de kamerleden Depla en De Vries moet leiden tot het fiscaal faciliteren van banksparen in box 1 met ingang van 1 januari 2008. Hier hoort tevens toe het inzetten van een lijfrente voor de oudedagsvoorziening van IB-ondernemers. Volgens de initiatiefnemers zal dit leiden tot meer transparantie en lagere kosten. Helaas, in de praktijk zal dit niet zo gaan uitwerken.

Behalve de extra keuzemogelijkheid, is het niet zo dat banken transparanter zijn dan verzekeraars en is het ook niet zo dat banken goedkoper kunnen werken dan verzekeraars. Wel is het zo dat bankieren en verzekeren twee verschillende takken van sport zijn en dat juist oudedagsvoorzieningen zoals lijfrenteproducten thuishoren bij verzekeraars. Deze discussie zal de komende maanden meer gevoerd gaan worden. Tot het zover is dient u de lijfrentemogelijkheden af te zetten tegen vermogensopbouw in box 3. Afhankelijk van uw persoonlijke en financiële situatie zal de lijfrente in de meeste gevallen de beste optie zijn en blijven.

Lijfrenteadvies

Uitgaande van de beschikbare premies en de vastgestelde einddatum dient u vooraf een indicatie te ontvangen welk bedrag aan oudedagsvoorziening u uit de lijfrenteverzekering mag verwachten (is dit voldoende om een goede oudedagsvoorziening op te bouwen?). Dit hangt vooral af van de factoren rendement, looptijd en kosten alsmede de belastingdruk nu en bij uitkering. Verder dient een inschatting te worden gemaakt van de rentestand op het moment van uitkering en dient rekening te worden gehouden met inflatie. Controleer of uw adviseur hierin realistisch is.

Soms wordt door een adviseur gerekend met een toekomstige rente van zes procent. Toegegeven, het toekomstige lijfrentekapitaal vertalen in een levenslange uitkering op basis van een rekenrente van zes procent schept een prachtig plaatje voor u. Maar het schept ook verkeerde verwachtingen en leidt onherroepelijk tot teleurstellingen. Een goede en realistische adviseur houdt rekening met een rekenrente van maximaal vier procent en een inflatie van twee procent.

Praktijkcasus

Stel uw inkomen (30 jaar) bedraagt gemiddeld zo’n 100.000 euro bruto per jaar (circa 55.000 euro netto). Vanaf pensioendatum hebt u voldoende aan 70 procent van dit bedrag: ofwel 70.000 euro bruto (ca. 45.000 euro netto). Van dit bedrag komt ruim 8.000 euro bruto per jaar uit de AOW, resteert circa 62.000 euro op te bouwen via een lijfrenteverzekering.

Rekening houdend met inflatie betekent dit dat u op pensioendatum (over 35 jaar) dubbel zoveel euro’s nodig hebt om uw koopkracht te behouden. Medio 2042 (65 jaar) is een kapitaal benodigd van plus minus twee miljoen euro. Hiervan kan een levenslange lijfrente worden aangekocht van circa 124.000 euro (qua koopkracht gelijk aan ruim 60 mille nu). Hierboven komt de aan inflatie aangepaste AOW (tegen die tijd zo’n 16.000 euro bruto per jaar). In totaal ontvangt u in box 1 dan 140.000 euro bruto, netto komt dit neer op circa 90.000 euro. Dit bedrag komt weer overeen met 45.000 euro nu. Aan uw doelstelling is langs deze weg voldaan.

Hoeveel inleggen?

Uitgaande van een gemiddelde winst uit onderneming van 100.000 euro bruto per jaar, mag u zoals eerder berekend via de jaarruimte een slordige 15.000 euro maximaal aan aftrekbare lijfrentepremie storten. Verder is de kans groot dat u op basis van de reserveringsruimte (periode 2000 – 2007) nog een extra bedrag aan aftrekbare lijfrentepremie mag storten. Laat dit laatste even uitzoeken door uw adviseur. Verder is een belangrijke vraag: we weten nu hoeveel u maximaal fiscaalvriendelijk mag storten, de volgende vraag is: wil en kan u dit bedrag missen gelet op de huidige levensstandaard?

Ook dient eventueel rekening te worden gehouden met het pensioeninkomen van uw partner. Stel dat u 15.000 euro bruto premie kunt inleggen, dan is een rendement noodzakelijk van gemiddeld zo’n zeven procent netto per jaar om de benodigde twee miljoen op te bouwen. Een dergelijke rendementsverwachting past bij een neutraal tot offensief risicoprofiel. Dit betekent dat van uw ingelegde premies - er na kosten - minimaal 70 procent dient te worden belegd in aandelen om het benodigde rendement en daarmee de gewenste doelstelling te behalen. De vraag is of deze rendementsdoelstelling past bij uw rationele, maar vooral emotionele risicoprofiel. Immers rendement en risico zijn én blijven altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden!

Kosten en rendement

Duidelijk mag zijn dat rendement de belangrijkste factor is. Helaas is en blijft dit een onzekere factor. Het enige wat we hier kunnen doen is kijken naar de kosten van het fonds en kiezen voor fondsen met een lagere kostenstructuur, bijvoorbeeld indexfondsen. Slechts tien procent van de actief beheerde fondsen presteert beter dan indexfondsen. En niemand weet op voorhand welke fondsen dit zullen zijn. Door te kiezen voor indexfondsen kan een beter rendement gehaald worden, doordat eenvoudigweg minder kosten wordt terugvertaald in een hoger rendement.

Verder kan u doordat uw adviseur (deels) de provisie uit het product haalt eveneens een hoger rendement behaald worden. U dient deze mogelijkheid met uw adviseur te bespreken en deze zal u in ruil een (aanvullende) factuur te sturen. Mogelijk hebt u een hekel aan het betalen van een factuur. Wel is het zo dat u langs deze weg circa twintig procent meer kapitaal opbouwt, en hiermee dus ook in de toekomst een twintig procent hogere lijfrente-uitkering. Een factuur betalen in ruil voor het inbouwen van provisie is dus vooral een goede deal voor u als klant. Weet u gelijk de reden waarom veel adviseurs u niet laten kiezen tussen het betalen van een fee of provisie.

 


Lees ook: