Banner
| Afdrukken |

Fysieke problemen bij tandartsen - De werkhoogte (deel 4)

MO

De optimale werkhoogte is die hoogte waarbij de tandarts op een gezonde wijze het werk kan uitvoeren. Over de optimale hoogte lopen de meningen uiteen.  Is hij te laag, dan ontstaat een ongunstige werkhouding. Is hij te hoog dan wordt de schouderbelasting te hoog. Hoe kom je nu tot een goede werkhoogte?

Aangeboden door BosBedrijfsOefentherapie

Nb: Door een technische mankement vielen  er in aflevering 3 van de serie enkele alinea's weg. De volledige aflevering bekijkt u hier alsnog.

Veel tandartsen denken dat een optimale werkhoogte bereikt wordt bij een hoek van 90º tussen de boven- en onderarmen. In werkelijkheid is deze werkhoogte te laag waardoor elke tandarts te ver naar voren moet buigen om goed zicht te verkrijgen. Voor de optimale werkhoogte gaan we uit van de boekleesstand. In dit artikel wordt de wijze waarop de optimale werkhoogte ingesteld kan worden beschreven.

In de vorige afleveringen is beschreven hoe de patiënt geplaatst moet worden, de werkhouding van de tandarts en assistent en de werkstoel.

In de reeks tandheelkundige ergonomie wordt een aantal maatregelen beschreven waarmee de werkwijze geëvalueerd en verbeterd kan worden. Deze maatregelen komen uit de door BosBedrijfsOefentherapie (BBO) ontwikkelde training ‘Gezond bewegen voor tandartsen’. Komende nieuwsbrieven zal steeds één maatregel beschreven worden.

De reeds verschenen publicaties zijn ook terug te vinden op www.bosbedrijfsoefentherapie.nl

Tandheelkundige ergonomie - deel 4

1. Plaatsing patiënt (vorige aflevering)
2. De werkhouding (vorige aflevering)
3. De werkstoel (vorige aflevering)

Nb: Klik op de afbeelding voor een vergroting

De ideale werkhoogte

Werkhoogte te laag

Bij het bepalen van de werkhoogte is het noodzakelijk dat de voorgaande stappen goed genomen zijn: de patiënt is horizontaal geplaatst, de werkhouding is optimaal opgebouwd en de werkstoel dusdanig ingesteld zodat de houding goed ondersteund wordt.

Stel de hoofdsteun in voor behandeling in de onder- of bovenkaak.

Bij de behandeling in de bovenkaak met indirect zicht vanaf de achterzijde van de patiënt (zitlocatie rechtshandige tandarts tussen 10.30 en 11.30 uur) wordt het occlusievlak van de bovenkaak 20º/25º naar achteren gekanteld ten opzichte ten opzichte van de verticaal.

Bij de behandeling in de onderkaak vanaf de achterzijde van de patiënt wordt het occlusievlak van de onderkaak in een hoek van ca. 40º (voor behandeling voorin de mond iets vlakker en achterin de mond iets schuiner) geplaatst ten opzichte van de horizontaal.

Voor het bepalen van de werkhoogte moeten eerst de armen in de juiste stand geplaatst worden: de bovenarmen zijn naast de romp. Deze mogen tijdens het werk maximaal 10º naar voren gaan om de belasting op de armen en de schoudergordel tot een minimum te beperken.

De onderarmen zijn, uitgaande van een horizontale lijn (hoek 90º tussen boven- en onderarmen), tijdens het werk minimaal 10º en maximaal 25º omhoog geheven. Voor het bepalen van de werkhoogte zijn de onderarmen ca. 10-15º omhoog t.o.v. de horizontaal.

De boekleesstand

Optimale werkhoogte

De plaats waar de handen zich nu bevinden is de optimale werkhoogte. Dit wordt ook wel de boekleesstand genoemd. De kijkafstand is comfortabel en het is mogelijk vanuit een optimale lichaamshouding het boek te lezen c.q. zicht te verkrijgen op het werkveld.

De optimale werkhoogte varieërt afhankelijk van de behandeling in boven- of onderkaak en afhankelijk van de grootte van het hoofd van de patiënt. Fijnafstelling blijft belangrijk.

De afstand van de ogen tot het werkveld is hierbij 35-40 cm (voor een lange tandarts is dit groter).

Bij gebruik van een werkbril/loepbril moet de bril op deze werkafstand aangemeten zijn. Vaak worden werkbrillen op een te kleine werkafstand aangemeten waardoor de tandarts gedwongen wordt in een ongunstige houding te werken. Dit is eenvoudig zelf na te gaan door op te meten op welke afstand men scherp zicht heeft met de werkbril.

Bij veel brillen ter correctie van bijziendheid wordt een extra positieve correctie toegepast om een vergroting van het werkveld te verkrijgen. Dit heeft ten gevolge een kortere werkafstand wat ongunstig is voor de werkhouding.

De zitting van de werkstoel moet horizontaal zijn onder het zitvlak, het achterste gedeelte van de zitting. De zitting loopt bij voorkeur niet schuin af naar voren. Indien het zitvlak schuin afloopt geeft dit afschuiving naar voren van het bekken. Dit heeft tot gevolg een C-kromming van de wervelkolom, wat ongunstig is.Indien het zitvlak toch schuin afloopt mag dit maximaal 6º zijn zodat afglijden naar voren niet mogelijk is.


Vond u dit ook een interessant artikel?
Volg  anderen en ontvang gratis email updates!



Commentaar (0)Add Comment
Schrijf commentaar
 
  kleiner | groter
 

busy
 


Lees ook: