|
||
Fysieke problemen bij tandartsen - De werkstoel (deel 3) |
|
De werkstoel van de tandarts bevordert zelden een goede werkhouding. Veel stoelen geven geen ondersteuning waar dit nodig is. Zonder deze noodzakelijke ondersteuning is het een hele opgave voor een tandarts om het werk vanuit een gezonde houding uit te voeren. Aangeboden door BosBedrijfsOefentherapie
Behalve de aanwezigheid van een goede werkstoel moet deze ook goed ingesteld worden. De reeds verschenen publicaties zijn ook terug te vinden op www.bosbedrijfsoefentherapie.nl Tandheelkundige ergonomie - deel 31. Plaatsing patiënt (vorige aflevering) Nb: Klik op de afbeelding voor een vergroting
De zitting van de werkstoel moet horizontaal zijn onder het zitvlak, het achterste gedeelte van de zitting. De zitting loopt bij voorkeur niet schuin af naar voren. Indien het zitvlak schuin afloopt geeft dit afschuiving naar voren van het bekken. Dit heeft tot gevolg een C-kromming van de wervelkolom, wat ongunstig is.Indien het zitvlak toch schuin afloopt mag dit maximaal 6º zijn zodat afglijden naar voren niet mogelijk is. Het gedeelte onder de bovenbenen loopt schuin af naar voren. Hierdoor is werken met een beenhoek van 110º of meer tussen de boven- en onderbenen mogelijk (voor toelichting beenhoek 110º zie aflevering 2: De werkhouding). De zitting van de stoel in de vorm van een zadel is ongunstig. Door de brede spreidzit (> 45º) kantelt het bekken voorover wat een hyperlordose tot gevolg heeft. Het voorwaarts gekantelde bekken hangt passief in de buikspieren en geeft continue druk op de zachte weefsels van de buik. De druk onder de zitbeenknobbels verschuift naar voren tot onder het zenuwrijke en vaatrijke perineum en de genitaliën. Door het ontbreken van een rugleuning ontstaat tijdens het werk een ongunstige C-kromming van de rug. De hoogte van de zitting moet ingesteld worden op een beenhoek van 110º of meer tussen onder- en bovenbenen. Voorwaarde is een goed contact van de voeten met de vloer waardoor verrijden gemakkelijk mogelijk is. De tandarts moet zover mogelijk naar achteren op de zitting van de stoel gaan zitten. Daardoor wordt het mogelijk de rugleuning goed te gebruiken. Verhoogde schouderbelasting
De rugleuning moet geplaatst worden ter hoogte van de boven-achterzijde van het bekken. Wanneer de goede zithouding wordt aangenomen moet direct een optimale ondersteuning voelbaar zijn voor het handhaven van de lichte lordose in de onderrug. Hiervoor moet de rugleuning de vorm van de lumbale lordose ondersteunen. Veel rugleuningen van tandarts werkstoelen bezitten deze vorm niet. De rugleuning moet verstelbaar zijn in hoogte en in voor-achterwaartse richting (horizontaal). Zodoende kan de rugleuning exact op de goede positie ingesteld worden. De bekleding van de stoel mag niet glad zijn. Een gladde bekleding veroorzaakt het naar voren glijden van het bekken, waardoor het bekken geen contact meer heeft met de rugleuning en een stabiele ondersteuning van de werkhouding ontbreekt. De polstering van de stoel mag niet te zacht zijn. Een zachte zitting veroorzaakt wegzakken, het bekken kantelt achterover waardoor de natuurlijke lordose verdwijnt en een C-kromming van de wervelkolom onstaat. De zitting van de werkstoel moet horizontaal zijn onder het zitvlak, het achterste gedeelte van de zitting. De zitting loopt bij voorkeur niet schuin af naar voren. Indien het zitvlak schuin afloopt geeft dit afschuiving naar voren van het bekken. Dit heeft tot gevolg een C-kromming van de wervelkolom, wat ongunstig is.Indien het zitvlak toch schuin afloopt mag dit maximaal 6º zijn zodat afglijden naar voren niet mogelijk is.
Commentaar (0)
![]() |






